
“Ik wil op een ieder een beroep doen om toch zoveel mogelijk het onderwijs voort te zetten.
Er is een heleboel mogelijk met afstandsonderwijs, maar we moeten willen en durven om het te proberen. Én natuurlijk ook hulp vragen waar nodig. Praat erover met collega’s, maar laat je niet door de hele situatie uit het veld slaan.
Het onderwijs moet op de een of andere manier doorgaan.”
Vandaag hebben wij in het interview de orthopedagoog Annelot Themen. Zij is de afgelopen 10 tot 15 jaar verbonden geweest aan de praktijk Kompas, een centrum voor orthopedagogische hulpverlening. Momenteel geeft zij voltijds leiding aan een opleidingsinstituut voor verschillende bacheloropleidingen, waaronder de Bachelor of Education voor leerkrachten en schoolleiders in Special Education, School Management en Early Childhood Education.
Waarom heeft u voor de studie orthopedagogiek gekozen?
Ik heb altijd geweten dat ik de sociale sector in wilde. Mijn moeder was een maatschappelijk werkster – nu is ze met pensioen – maar sinds ik klein was werd ik meegenomen naar kindertehuizen en gezinnen die het moeilijk hadden. Zo zag ik als het ware de cliënten die mijn moeder begeleidde. Ik ben er dus eigenlijk mee opgegroeid en het is mij met de paplepel ingegoten. Daarnaast had ik een broer met een verstandelijke beperking, dus ik heb zo ook van heel dichtbij ervaren hoe dat is. In Rotterdam ben ik toen eerst “Sociaal Pedagogische Hulpverlening” gaan studeren en in het eerste jaar merkte ik al dat het niet echt mijn ding was. Ik ben toen gegaan voor de opleiding “Pedagogische wetenschappen” en al gauw merkte ik dat ik dat leuk vond.
Waar heeft u orthopedagogiek gestudeerd en hoe zet u uw kennis in het werkveld in?
Ik begon aan de opleiding “Pedagogische wetenschappen” aan de Faculteit voor Sociale Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Leiden en studeerde af in de richting Orthopedagogiek. Het was een leuke periode. Het was wel even wennen, want toen ik 18 jaar was vertrok ik naar Nederland om de studie te doen. Vanaf het begin was ik enthousiast, omdat ik les kreeg van een aantal ervaren orthopedagogen die een hele inspiratie voor mij waren. Wat het wel moeilijk maakte was dat ik in m’n laatste jaar zwanger raakte, wat niet volgens plan was, maar toch ontzettend welkom en leuk. Ik ben in 2001 afgestudeerd als orthopedagoog. Ik heb dus met een hele dikke buik mijn bul in ontvangst mogen nemen. In de eindfase van mijn studie was ik als groepsleidster werkzaam in een tehuis voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen (ZMOK) in Rotterdam. Na mijn afstuderen vertrok ik direct naar Suriname, waar ik 4 jaar werkzaam was als projectcoördinator van een gemeenschap ontwikkelingsproject. Ik was onder andere verantwoordelijk voor het opzetten van een zorgstructuur voor een aantal basisscholen in een wijk in Paramaribo. De daaropvolgende drie jaren hield ik mij bezig als programmamanager. Naast het ontwikkelen van projecten programma’s was ik ook bezig met het ontwikkelen en mede-implementeren van beleidsveranderingen. Eveneens deed ik gedurende deze zeven jaren ervaring op in het ontwikkelen en verzorgen van trainingen aan mensen van verschillende achtergronden en niveaus, waaronder leerkrachten, crèche personeel en ouders. Ik ben verder bestuurslid geweest van de Nationale Stichting Blindenzorg en sinds mei 2009 gaf ik vanuit Kompas begeleiding aan ouders en kinderen.
Hoe zag uw dag als orthopedagoog er meestal uit?
Het was en is nog steeds heel erg druk bij de praktijk, omdat we met een enorm tekort kampen aan kind- en jeugdpsychologen en orthopedagogen. Een typische dag toen ik nog fulltime als orthopedagoog werkte zag er dus zo uit: ik ging meestal rond 7 uur van huis, zette mijn kinderen op school en ging naar de praktijk. Ik zag elke dag gemiddeld zo een zes tot zeven cliënten en afhankelijk van de afspraken waren die onder andere cliënt gesprekken, testafnames of schoolbezoeken. Het waren hele volle dagen, meestal tot een uur of zeven. Mijn kinderen kwamen toen ook op de praktijk en bleven samen met de kinderen van mijn collega’s op de oppas en aten ook daar. Het was hard werken en het waren lange dagen, maar het was heel erg leuk werk en ook echt “dankbaar” werk.
U bent de directrice van Vanguard Community College. Vanwaar is het idee ontstaan om zo een college op te richten?
Tijdens mijn werkzaamheden als orthopedagoog, waarbij ik adviezen gaf aan opvoeders, merkte ik dat ze moeite hadden met de uitvoering daarvan, omdat ze de vaardigheden misten. Verder zijn er heel veel leerkrachten die bereid zijn om een kind te helpen, maar ook de vaardigheden hoe dit precies te doen missen. Zo ontstond dus het idee om te starten met een bacheloropleiding voor leerkrachten, namelijk een bachelor in Special Education (Speciaal Onderwijs). Het is bestemd voor mensen die al een kweekschool diploma hebben en zich verder willen scholen in hoe te werken met kinderen die een speciale behoefte hebben. Al gauw zijn we toen gestart met een tweede afstudeerrichting binnen de Bachelor of Education, genaamd School Management met als doelgroep de schoolleiders, omdat ook daarvoor geen aparte opleiding is. Het zijn mensen die een hoofdakte hebben en eigenlijk weinig meegekregen hebben aan managementvaardigheden en kennis op dat vlak. We hebben inmiddels ook een derde afstudeerrichting erbij: Early Childhood Education. Deze opleiding is bestemd voor leerkrachten die werken met de jongste groepen: peuters, kleuters, de eerste en tweede klassen. Deze doelgroep kinderen vereist toch een speciale manier van aanpak, omdat het in die eerste jaren ontzettend belangrijk is om deze kinderen op de juiste manier te stimuleren. Vandaar dat we daarvoor een aparte studierichting gemaakt hebben.
Welke boodschap heeft u voor leerkrachten met betrekking tot de COVID-19 pandemie?
Ik wil op een ieder een beroep doen om toch zoveel mogelijk het onderwijs voort te zetten. Met de COVID-19 pandemie zijn er heel wat vernieuwingen gekomen die overweldigend zijn en niet alle leerkrachten weten precies hoe zij deze vernieuwingen kunnen inzetten en toepassen. Het is moeilijk, want het is allemaal nieuw. Echter is het enorm van belang dat we ergens beginnen. Een andere uitspraak die we vaak horen is “afstandsonderwijs oftewel digitaal onderwijs werkt niet, omdat niet iedereen toegang heeft”, maar er zijn hele mooie voorbeelden van leerkrachten die binnen hun school een inventarisatie gemaakt hebben van leerlingen en proberen in te spelen op hun mogelijkheden. Dus probeer op allerlei verschillende manieren afstandsonderwijs te bieden en voor diegenen die echt geen toegang hebben, kan in kleine groepjes met inachtneming van de COVID-19 maatregelen toch fysiek onderwijs gegeven worden. Er is een heleboel mogelijk met afstandsonderwijs, maar we moeten willen en durven om het te proberen. Én natuurlijk ook hulp vragen waar nodig. Praat erover met collega’s, maar laat je niet door de hele situatie uit het veld slaan. Het onderwijs moet op de een of andere manier doorgaan, want niets is zo erg als wat er nu gebeurt: kinderen die helemaal geen onderwijs krijgen. Ik durf niet te denken aan wat er straks op ons af zal komen zodra de scholen weer geopend zijn en alle kinderen weer in de klas zitten. De problemen die dan op ons afkomen, zullen enorm zijn dus laten we proberen dat zoveel als mogelijk te voorkomen door nu te doen wat we kunnen.

